Vandaag stond ik te wachten op een trein die tien minuten later kwam omdat de NS de reizigers graag wat extra vrije perrontijd gunt (zo zullen ze 'vertraging' in 2020 omschrijven). Ik werd aangeklampt door een man die ongebruikelijk geurde en met blote voeten in veterloze schoenen liep zodat je zijn sexy paarse enkels goed kon zien. Hij had lang donker haar en zijn baard had drie verschillende kleuren bruin, waarvan er één door snot veroorzaakt werd. Hij vroeg: 'Zach monneer, heefdu musgien un bijdraache voor een daklooze?'
Verrek, dacht ik, een Maastrichtenaar. Ik ben slecht in accentje raden, maar het accent uit mijn geboortestad herken ik uit duizenden. Ik gaf de man een tientje, enerzijds zodat ik later hier zou kunnen opscheppen over mijn geweldige vrijgevigheid en anderzijds omdat ik de lijntjes bij het geven aan goede doelen graag kort houd sinds ik in de krant heb gelezen dat 1 miljoen van de Kosovo-hulp in handen van de Kosovaarse maffia en de Novib terechtgekomen is. De man bedankte mij niet, wat ik van klasse vond getuigen. Wel begon hij tegen me te ouwehoeren. 'Ik ban een achte Jordanees!' zei hij. 'Ik kom van achter de Wastortoore!' Ik weet nooit zo goed hoe ik me moet gedragen als mensen me dingen op de mouw spelden dus zei ik maar: 'De knievel vaan Lewieke, dat is toch zoene sjieke en 's aovends is heer hip, mèt die knievel op zien lip.' Knievel betekent snor in het Maastrichts en dat zinnetje komt uit een carnavalslied dat elke echte Maastrichtenaar kent. De ogen van de man lichtten op. 'Ooo! Komdu uijt Maastrich! Dafinkleuk zach!'
We raakten aan de praat en hij zei: 'Toen ik in het vreemdelingenlegioen zat, heb ik mijn maten bij bosjes zien sneuvelen! Met honderdveertigen tegelijkertijd!' Toen ik daar niet op inging zei hij: 'Maar eigenlijk ben ik helikopterpiloot. Overal heb ik gevlogen en hulp verleend, tot in Vietnam aan toe.' Weer reageerde ik daar niet op en liet hem rustig verder lullen, gewoon omdat ik geen idee had wat ik moest antwoorden. Hij kletste door en gaandeweg kwam er steeds meer waarheid in zijn verhalen. 'Meneer, ik heb alles meegemaakt in mijn leven en ik zou daarover een boek kunnen schrijven tot aan het plefon!', zei hij terwijl hij met zijn hand aangaf waar het denkbeeldige plafond zich bevond. 'Moord, doodslag en incest, ik heb het allemaal meegemaakt.'
De trein was inmiddels aangekomen en we namen samen plaats in een vierzitter. Hoewel het vrij druk was, hielden de andere mensen zich kies op afstand en zo hadden wij veel ruimte. Dat beviel mij wel, al onderdrukte ik de neiging om mijn treinkaartje doormidden te scheuren, beide helften tot propjes te friemelen en in mijn neusgaten te steken.
De man tastte in de binnenzak van zijn skijas en trok een blik bier van het merk 'Gouden Zegel' eruit en nam daarbij een stuk voering mee. 'Ik heet Stefanie', zei hij. 'Dat is mijn geboortenaam.' Ik zei dat ik een prinses kende die zo heette en toen was het even stil. 'Zeg, ken je die dakloze die altijd op blote voeten door de Waarderpolder loopt misschien?' vroeg ik. Hij keek me aan en lachte beminnelijk met zijn vier en een halve tand. 'Jazeeker, da's Gijs! Daar kan ik je verhalen van vertellen, zeg! Die is hartstikke gek! We waren een keer samen naar de Zeeman gegaan omdat ik had gezegd dat hij eens een nieuwe spijkerbroek moest kopen, want één keer in het jaar is dat wel nodig. Die van hem kon je rechtop zetten en er soep van koken. We gingen de winkel in, maar hij kocht geen spijkerbroek, nee, hij kocht een onderbroek! Bij de kassa trok hij zijn kleren uit en trok zijn nieuwe onderbroek aan. De oude, die inmiddels in kauwgum was veranderd, hield hij voor het kassameisje en hij vroeg haar of ze hem even wilde weggooien. Hartstikke gek, die Gijs!'
Toen we in Amsterdam waren aangekomen, bleef ik nog even met Stefanie op het perron staan praten. Hij vertelde dat hij jaren in het buitenland had gewoond en in 1999 weer in Nederland was teruggekeerd. 'Maar toen werd ik opgepakt door de Vreemdelingenpolitie. Ze zeiden dat ik hier illegaal was, terwijl ik Nederlander van geboorte ben. Inmiddels heb ik weer een Nederlands paspoort, maar ik leef nu al vijf jaar op straat. In het buitenland heb ik nooit een nacht op straat hoeven door te brengen. Nooit! Maar in dit geweldige Nederland doe ik het al vijf jaar.'
Stefanie en ik namen afscheid en toen ik vijftig meter verder was zag ik dat twee mensen in uniform hem aanspraken en hem sommeerden weg te gaan. Ik keek nog één keer achterom en zag de gebogen gestalte wegstrompelen tegen een achtergrond van vrolijke kerstversiering.
Laatste reacties